Ingesloten tussen kantoorgebouwen ligt de Oude Rooms-Katholieke Begraafplaats te wachten de eeuwigheid. In 1853 kregen de katholieken in Zeist hun eigen kerkhof achter de rooms-katholieke kerk aan de Utrechtseweg. Daarvoor werden katholieke doden op de algemene begraafplaats aan de Bergweg of in Bunnik of Soesterberg begraven.
In 1855 werd de begraafplaats officieel in gebruik genomen toen de door de gemeente verplichten muur klaar was. Paulus van Melzen was echter al twee eerder begraven. Het kerkhof had een oppervlakte van 46 bij 20 ellen (32 x 13,5 meter) en was via een hek aan de Utrechtseweg bereikbaar.
Sarcofaag van Leonardus Franciscus de Bruijn
Zoals een katholieke begraafplaats betaamt had het terrein een indeling in de vorm van een Latijns kruis waardoor het in vier vakken was verdeeld. Dit komt overeen met de vier klassen waarin begraven werd. Elke klasse had een kinderhof aan de buitenste rand van het vak. Er was ook een ongewijd gedeelte, vak vijftien, voor het begraven van ongedoopten; meestal levenloos geboren of vlak na de geboorte overleden kinderen.
In 1949 werd de muur om het kerkhof afgebroken en werd een deel van de pastorietuin bij het kerkhof betrokken, overigens zonder toestemming van de gemeente. De laatste begrafenis vond plaats in 1970.
Door de opening van het rooms-katholieke deel op de Algemene Begraafplaats (nu Gedenkpark Zeisterbos) aan de Woudenbergseweg in 1968 en de toename van het aantal crematies daalde het aantal begrafenissen sterk. De begraafplaats werd in 1976 gesloten; het doodgravershuisje werd twee jaar later afgebroken. De kerk en het kerkhof werden in 1980 verkocht aan een projectontwikkelaar; de kerk werd in 1981 gesloopt. Het kerkhof werd in 1988 op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst mede vanwege een aantal karakteristieke graven zoals de graftombe van Leonardus Franciscus de Bruin, overleden in 1861: een sarcofaag met een half afgeschoven kleed.
Plattegrond begraafplaats
Priestergraf en sarcofaag Het is even zoeken naar de begraafplaats in de straatjes achter de Utrechtseweg. Maar het half overgroeide straatnaambordje Pastoor Cohustraat (pastoor St. Josephparochie 1842-1958) geeft aan dat de begraafplaats in de buurt moet zijn. Een paadje leidt naar een groen toegangshek dat van het slot is. Dan betreed je een verwilderde tuin met scheefgezakte kruizen en deels overwoekerde graven. De oorspronkelijke padenstructuur is nog te herkennen. Het hoofdpad loopt van de officiële ingang tot het priestergraf met de calvarie. Ín dit graf is pastoor F. Cohu, die 3 juli 1858 overleed en de ‘eerste pastoor van Zeist na hervorming 1842-1858’ was, met zijn latere collega’s begraven. De rechter zijarm eindigt bij een bijenhuisje, de linker met een haakse bocht bij het hek waardoor je binnenkomt.
Schuin voor het priestergraf trekt de sarcofaag van Leonardus Franciscus de Bruijn, overleden op 23 april 1861, alle aandacht. Op de schuine zijden van de deksel staat een tekst, die nauwelijks meer leesbaar is. Over het voeteneinde van de tombe ligt half afgeschoven stenen kleed met kwasten aan de uiteinden.
Evacués in de Tweede Wereldoorlog Na de mislukte Slag bij Arnhem (17-25 september 1944) kwam er een grote vluchtelingenstroom van inwoners uit Arnhem, Limburg en de Veluwe op gang. In Zeist zijn in 1944 rond de 8500 vluchtelingen. Aan het einde van de oorlog bleek 25 naar Zeist geëvacueerde mensen te zijn overleden en op het kerkhof aan de Utrechtseweg een (voorlopige) rustplaats vonden.
Over het Vierde Gesticht, de begraafplaats van Veenhuizen, is al veel geschreven. Maar ik was er nog nooit geweest. Ik was wel eerder in Veenhuizen, maar toen stond de begraafplaats niet op mijn lijstje. Dat gemis heb ik op 6 augustus 2025 goedgemaakt.
Het dorp Kloosterburen ligt in de Marnestreek, het land van wierden, maren, dijken en kwelders, in het noordwesten van de provincie Groningen. De naam verwijst naar de twee kloosters die hier vroeger hebben gestaan: Oldeklooster (gesticht rond 1175) en Nijenklooster (1204), beide behorende tot de orde der premonstratenzers. Deze kloosterlingen legden nadruk op eenvoud, soberheid, isolement en hard werken.
Er staan twee mooie kerken in het dorp: de van oorsprong 13de-eeuwse hervormde Nicolaaskerk en de 19de-eeuwse katholieke Sint-Willibrorduskerk. Het dorp kent drie begraafplaatsen: de oude begraafplaats (gesloten) rond de hervormde kerk, de katholieke begraafplaats (1871) en de algemene begraafplaats (1871).
Hervormde kerk Na de overgave van stad Groningen, kwam de kerk van het Oldeklooster in handen van de protestanten. Deze kerk werd in de 17de eeuw vervangen door een nieuwe kerk, die echter gesloopt werd in 1815. In 1843 werd de huidige Hervormde kerk gebouwd. Rond de kerk lag een kerkhof waar de inwoners van het dorp werden begraven. Na 1871 nam het aantal begrafenissen op het kerkhof snel af door de ingebruikname van twee nieuwe begraafplaatsen: de R.K. begraafplaats en de naastliggende algemene begraafplaats.
Katholieke enclave Kloosterburen is sinds eeuwen een rooms katholieke enclave in het verder overwegend protestantse Groningen. In het midden van het dorp ligt aan de Hoofdstraat de grote neogotische Willibrorduskerk die vanuit het omliggende ‘Hoge Land’ al van verre te herkennen is. In 1842 kreeg het dorp een katholieke kerk, een eenvoudig zaalkerkje in Waterstaatstijl, dat in 1864 alweer te klein was.
Overzicht RK Begraafplaats
Voor de bouw van een grotere kerk maakte architect P.J.H. Cuypers het ontwerp. In 1869 was het kerkgebouw voltooid. Cuypers schetste een sober vormgegeven gebouw passend bij het dorpsbeeld. Achter de kerk ligt de fraaie K(C)loostertuin, een mix van bloemen, kruiden, groenten en fruitbomen.
In 1871 kregen de katholieken een eigen begraafplaats gelegen aan de Kloostersingel. In hetzelfde jaar opende de Algemene Begraafplaats met de ingang aan de Hoofdstraat.
Gebruiken bij begrafenissen in Kloosterburen in de 19de eeuw. Uit: Hogelandster 21-09-1994
Ruime een eeuw geleden bestonden op het Groninger platteland overal nog kluften of naberschappen. Dit waren buurtverenigingen, voornamelijk voor onderlinge bijstand bij nood en dood. Die te Kloosterburen worden genoemd in een brief van het gemeentestuur van Kloosterburen aan Gedeputeerde Staten van 1845. De belangrijkste taken bestonden uit: waken en oppassen bij zieken, luiden van de klok bij begrafenissen, het graf graven en het ter aarde bestellen van lijken. Hierbij waren de buren van een zieke of overledene behulpzaam. Verder hadden de volmachten van de naberschappen het toezicht op het kerkhof. Toen in 1828/1929 de schoolmeesters in de provincie Groningen opdracht van de provinciale commissie van onderwijs kregen om de toestand in hun kerspel, de gewoonten en verdere bijzonderheden te beschrijven werd dit in Kloosterburen gedaan door de schoolonderwijzer R.A. Venhuis. In zijn rapport zijn de gewoonten bij begrafenissen beschreven, zoals die 1828 gebruikelijk waren. Hij schreef o.a. het volgende:
Ooit was Klein Maarslag een welvarend dorp. Inmiddels rest er niet meer dan een huis, een boerderij én een historische begraafplaats. De 12de-eeuwse dorpskerk werd afgebroken rond 1811, maar de contouren zijn nog altijd in het grasveld te zien. De oudste zerk op de begraafplaats stamt uit 1609.
‘Hist. Begraafplaats‘
Het Hoogeland strekt zich als een ten noorden van de stad Groningen uit. Dit was het land van de ‘dikke boeren van de klei’, de herenboeren die hun geld verdienden met de teelt van aardappelen en graan op de vruchtbare kleigronden. Ze waren rijk en vooruitstrevend in hun bedrijfsvoering, maar feodaal in de omgang met de landarbeiders. De naam Hoogeland verwijst naar de relatief hoge ligging van het land, ontstaan door de aanslibbing van de zee. Het landschap bestaat uit vriendelijke wierdedorpen, kronkelende maren (waterlopen), dijken, molens en prachtige middeleeuwse kerkjes en kerkhoven.
Mensingeweer is een van de vele dorpen in de uitgestrekte gemeente Het Hoogeland. Aan de Hoofdstraat staat de witgepleisterde Michaëlskerkje. De plaatselijke begraafplaats ligt enigszins verborgen aan het einde van een zijlaantje van de Molenweg. Over de begraafplaats is veel geschreven, evenals over de plaatselijke begrafenisvereniging.
Een bordje aan de weg naar Schouwerzijl wijst naar de ‘Hist. begraafplaats’. Aan het einde van een betonweg doemt een boerderij op met daarachter een kleine verlaten dodenakker. De weg eindigt bij het toegangshek. Rond het kerkhof is een meidoornhaag aangelegd met daartussen linden. Links van het hek een klein informatiebordje dat waarop de geschiedenis van het wierdedorp een notendop staat vermeld..
Rechts het oudste graf
Stalling voor paard van de predikant Klein Maarslag lag op een strategisch punt bij de noordelijke uitmonding van de Hunze, welke waterweg tot 1361 de stad Groningen met de zee verbond. De voormalige kerk op de wierde, waarvan de plattegrond is aangegeven, dateert vermoedelijk uit de 12e eeuw en bevatte veel tufsteen. De kerk was iets groter dan die van Mensingeweer, waarmee het kerspel sinds 1682 verenigd was. In 1755 was het kerspel Maarslag nog groter dan het kerspel Mensingeweer. De kerk is in 1811 afgebroken. Er werd toen een galg of klokkenstoel geplaatst. Deze was in 1843 nog aanwezig. Op de bewoner van het huisje bij de begraafplaats heeft lang de plicht gerust stalling te bieden aan het paard van de predikant en voor de predikant zelf een plaats te reserveren bij de haard.
Van bloeiend dop tot verstild kerkhof
Contouren van de kerk (2011). Foto Wikimedoa
De oorsprong van de wierde gaat terug tot rond het begin van de jaartelling; de wierde had een strategische functie langs de benedenloop van de Hunze. De inwoners van Klein Maarslag leefden van de visvangst en handel. De Tweede Sint-Marcellusvloed in 1361 maakte een einde aan de welvaart. Na deze overstroming werd het Reitdiep voorzien van een zeedijk en raakte het dorp afgesloten van de zee. De inwoners schakelden over op de landbouw. De kerk die in het dorp werd gebouwd, dateert uit de 12de eeuwen en was geheel opgetrokken uit tufsteen. Rondom de kerk lag al een grafveld dat ouder moet zijn gewest dan de kerk en waaruit later het kerkhof is ontstaan.
Tachtigjarige Oorlog
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog staken staatse troepen in 1584 de kerk in brand waarbij het dorp veel schade leed. De kerk werd herbouwd en rond 1600 werd het koor vergroot. In de kerk werd begraven getuige de vele 17de- en 18de-eeuwse zerken die nu binnen de contouren van de kerk te zien zijn. In 1811 moest het kerkje wegens bouwvalligheid worden afgebroken, alleen de houten klokkentoren bleef staan, totdat ook deze een eeuw later werd afgebroken.
Afgegraven wierde
Het kerkhof dreigde in 1888 vol te raken. De aanleg van een gemeentelijke begraafplaats in Schouwerzijl bood een tijdelijke oplossing, maar in 1905 werd het kerkhof alsnog gesloten. In de 19de eeuw werd een groot deel van de wierde afgegraven waarbij ook de meeste huizen werden gesloopt. Bij een archeologisch onderzoek in 1953 onder leiding van de bekende archeoloog Albert van Giffen werden de fundamenten van het vermoedelijk 12de-eeuwse kerkje blootgelegd. De contouren werden met keisteentjes aangegeven.
Achter het hek ligt op de wierde het kerkhof dat grotendeels vergrast is. Vaag zijn nog de met keien afzette grindpaden te herkennen die de contouren van het kerkje markeren. Wat opvalt zijn de vele met een hekwerk omgeven graven. De teksten op de stenen binnen de hekken zijn moeilijk te lezen. Afbeeldingen van paarden sieren sommige zerken. Een ander symbool dat opvallend vaak op de stenen staat afgebeeld, is een pelikaan met jongen.
Pelikaan
Op verschillende graven van de familie Wiersema staat een pelikaan afgebeeld. Een pelikaan herinnert aan Christus die aan het kruis zijn bloed vergiet voor de mensheid. Volgens een ander verhaal symboliseert de pelikaan de Opstanding. De pelikaan heeft uit liefde haar jongen doodgedrukt en weer tot leven gewekt met haar eigen bloed. Op de zerken van Focktien Eltiens en haar echtgenoot Albert Wyrsema van Rollingeweer, die vrij snel na elkaar in 1663 overleden, staan een pelikaan met jongen, een geharnaste man met zwaard in de hand en als helmteken een pelikaan met jongen.
Historische begraafplaats Klein Maarslag Klein Maarslag 2 9961 TE Mensingeweer
Wierum is een kleine buurtschap gelegen op een 4,8 meter hoge wierde en ligt op korte afstand van het Reitdiep. Vroeger werd de naam Wierum ook gebruikt voor het groepje huizen ten oosten van het Reitdiep, dat sinds de 19de eeuw als Wierumerschouw wordt aangeduid. Op de wierde bevinden zich een boerderij, twee huizen, een kerkhof en een natuurbegraafplaats. Ten zuiden van Wierum ligt de wierde Enens met de kop-hals-rompboerderij De Paddepoel uit 1859.
Foto Mary Kuiper
Begraafplaats Wierum
Vogel schreeuwt tegen de lucht. Zo brons kan dood zijn.
De schelpen zijn een weg naar Santiago de Compostella hier in Wierum. Onwennig liggen ze op dit eiland zonder branding, zonder zon. De gloedgele bol is een roestrood hek, tralies om het leven. Mijn liefste! Mijn medepelgrim van de Weg.
Bewonder mijn vleugels. Zwever.
Rense Singraven Uit: Sloop de stad met tedere woorden, 2008.
Begraafplaats Wierum. Foto Mary Kuiper
De begraafplaats van Wierum is ruim een hectare groot en bevindt zich op het oudste gedeelte van de wierde. In de 13de eeuw werd op de heuvel een kerk gebouwd met daarbij een kerkhof. Na de afbraak van de kerk in 1829 bleef de begraafplaats aanwezig. Het oudste graf dateert uit 1679. De Hervormde gemeente Dorkwerd beheert de bestaande begraafplaats. De wierde had voor de afgravingen een omvang van 5 tot 6 hectare. Tussen 1912 en 1916 werd ongeveer driekwart afgegraven voor het gebruik van terpaarde. Alleen rond de gebouwen, het kerkhof en de weg bleef de wierde intact.
De begraafplaats van Wierum lag tot voor kort nog op eenzame hoogte. Tussen 2006 en 2008 is het grootste deel van de wierde hersteld met gebruikmaking van 80.000 m³ klei, baggerspecie uit het Van Starkenborghkanaal. Een bewoners wilde niet meewerken aan de ophoging van de afgegraven wierde. Een stukje Wierum ligt dus lager.
Foto Mary KuiperFoto Mary Kuiper
Natuurbegraafplaats Wierum
Grenzend aan de bestaande begraafplaats ligt de wierdebegraafplaats met ruimte voor 250 graven. De begraafplaats is een hectare groot en bevindt zich op het gedeelte van de wierde dat is opgehoogd. De dodenakker wordt als bloemrijk grasland beheerd.
Natuurbegraafplaats Wierum
Een houten hek geeft toegang tot de begraafplaats. Direct daarachter staat een informatiebord van het Groninger Landschap en Uitvaartverzorger Algemeen Belang Dela, de initiatiefnemers van deze natuurbegraafplaats. Een paar bankjes bieden een zitplaats voor bezoekers. Het terrein is kaal en gaat op in het vlakke Groninger land. Er zijn wat paden over het terrein uitgezet. Zandhopen met een herinneringssteen markeren de graven.
‘Adelrijk Beetsterzwaag’ wordt omgeven door een afwisselend landschap met loof- en naaldbossen, heidevelden en vennen. In 1793 liet de jurist Ambrosius Ayso van Boelens aan de hoofdstraat van het toen nog kleine dorp een landhuis bouwen. Ook werd de heide aan de overkant van de weg herschapen in een fraai wandelpark. Andere vooraanstaande en adellijke families (Lycklama à Nijeholt, Eysinga, Van de Lynden en Van Bijma) volgden zijn voorbeeld.
De adel bezat een groot deel van de grond en bestuurde het dorp met strakke hand. De meeste monumentale landhuizen met hun weelderige (over)tuinen zijn gebouwd langs de Hoofdstraat. De adel is vertrokken en de meeste staten hebben een andere functie gekregen. Sporen van het ‘adelrijke’ Beetsterzwaag zijn terug te vinden in de dorpskerk en op het omringende kerkhof.
Begraven in en rond de Martenskerk
Dorpskerk met kerkhof, Beetsterzwaag
De dorpskerk ligt niet, zoals in veel Friese dorpen, in het centrum, maar iets ten noorden van de Hoofdstraat. Oorspronkelijk lag de Sint Martenskerk wel precies in het centrum: aan de kruising van het Kerkepad West en het Kerkepad Oost en het pad dat naar Boornbergum leidt.
Op de plek van de huidige kerk stond een middeleeuws kerkgebouw. In 1803-1804 werd een nieuwe kerk gebouwd op de fundering van de oudere. In de kerk zijn nog diverse grafzerken te zien uit het begin van de 17de-eeuw, waaronder van de familie Fockens en de Van Teijens. Rondom de kerk werden vanaf de 19de eeuw naast dorpsbewoners vele adellijke inwoners begraven, waarvan de naam Van Harinxma thoe Slooten het bekendst is.
Op het kerkhof zijn graven te vinden van o.a.:
Jan Janssen Lauswolt ca. 1580-1655), het oudste graf op dit kerkhof, de steen is uit 1655
Luitje de Goed (1853-1926), architect die de voorgevel van de plaatselijke bakkerij heeft in Jugendstilstijl ontworpen
Jan Bieruma Oosting, de vader van kunstenares Jeanne Bieruma Oosting
de jong gestorven student Basoekie die op Java is geboren en in Nederland studeerde, zie artikel op Dodenakkers
Syb Hellinga (1925-2000), de oprichter van het plaatselijke Kunsthuis SYB.
Links van de ingang van de kerk is een graf met een graftrommel. Deze trommel is in 1930 geplaatst op het graf van een jongen van 15 jaar en is met steun van de Van Teyensfundatie in 2021 gerestaureerd.
Links: Grafstenen familie Van Teijens; rechts: graftrommel
Nieuwe begraafplaats aan de Gealeane
Toegangspoort tot de begraafplaats aan de Gealeane
Rond 1940 dreigde jet kerkhof vol te raken. Twee jaar later kocht de gemeente een stuk grond aan ten westen van de weg van Beetsterzwaag naarBoornbergum. De oorlog zorgde ervoor dat er niet direct met de aanleg werd gestart. Pas in 1946 werd een aanvang gemaakt met de aanleg van de nieuwe begraafplaats en in 1948 werd de eerste overledene begraven. Het ontwerp, een halve cirkel doormidden gedeeld door een pad, was modern. Niet alle graven lagen aan de paden. Achter de ingang is een ruimte opgenomen waar afscheid genomen kan worden van de overledene. Twee dwarspaden deelden de halve cirkel op in zes afzonderlijke vakken. Achteraan stond, toen nog buiten de begraafplaats, een baarhuisje. Bij latere uitbreidingen kwam deze centraler op het terrein te liggen.
Uitbreiding
De eerste uitbreiding (Fase II) vond plaats in de jaren 1970. De ruimte aan de buitenzijde van de eerste cirkel werd in gebruik genomen. Het hoofdpad werd verlengd en er werden enkele nieuwe dwarspaden aangelegd, waardoor er vier nieuwe vakken ontstonden. In de jaren 1980 werd er een tweede (Fase III), veel grotere uitbreiding gemaakt. In 2001 was er opnieuw een uitbreiding (Fase IV) aan de achterzijde van het terrein. Er werd een soortgelijke cirkel ontworpen met meer ruimte voor graven. De eerste graven op dit deel werden uitgegeven in 2004. Ook werd er een dienstgebouw gebouwd. Het totale oppervlak van de begraafplaats beslaat nu zo’n 1,5 ha.
De begraafplaats aan de Gealeane wordt omgeven door bos en heeft een besloten en sterk groen karakter. Op de begraafplaats staan willekeurig bomen en boomgroepen verspreid. Dit zorgt voor een natuurlijk karakter. De ingang van de begraafplaats heeft een plein met aan de linkerkant twee treurbeuken.
Vorchten ligt vlak achter de IJsseldijk op de grens van Gelderland en Overijssel. Het dorp bestaat uit niet meer dan enkele boerderijen en een, gelegen op een donk, een oud kerkje met kerkhof.
De kerk met de unieke zadeldaktoren, destijds gebouwd op een terp met het oog op eventuele overstromingen van de IJssel, is al van verre zichtbaar. De kerk was gewijd aan Johannes de Doper. De toren met twee smalle zijvleugels werd gebouwd rond 1200 en is het oudste deel van de huidige kerk. Het eenbeukige schip stamt uit de vroege 13de eeuw. Het veel hogere koor dateert van de 15de eeuw. De kerk onderging in 1856 een ingrijpende verbouwing, waarbij vooral het schip wijzigingen onderging. Schip en koor zijn gedeeltelijk uit tufsteen, maar grotendeels uit baksteen opgetrokken.
Rond 1200 kreeg Vorchten het recht om overledenen te begraven rond de kerk. Tot die tijd moesten de doden begraven worden in Epe. Het kerkhof is nog steeds in gebruik. In de kerk (?) is een grafkelder aanwezig voor de heren van Dedem van Vosbergen.
De Rijksstraatweg (N833) van Culemborg naar Geldermalsen passeert het dorp Buurmalsen. Volgens de overlevering stichtte Suitbertus, een metgezel van Willibrordus, op 26 september 696 een kerk in Uberan Malsena (Overmalsen), het tegenwoordige dorp Buurmalsen. Rond de kerk ligt een kerkhof dat al eeuwenlang in gebruik is.
Opvallend zijn de graven van familie Heuff van de nabijgelegen boerderij Keizershof. Het bouwwerk bestaat uit een eenvoudige bakstenen opbouw met plat dak waarop vier zerken liggen. De Hervormde kerk van het buurdorp Tricht, van ouds aan St. Pieter gewijd, ligt midden in het dorp. Het kerkhof is in na de opening van de nieuwe begraafplaats gesloten en geruimd.
Begraafplaats
De toenmalige gemeente Buurmalsen die de dorpen Buurmalsen en Tricht omvatte, liet in 1873 aan de Lingedijk een nieuwe begraafplaats aanleggen. Het kerkhof in Tricht werd in 1874 gesloten, op het kerkhof in Buurmalsen werd tot de jaren 1990 nog begraven. Een beukenhaag omsluit de begraafplaats Buurmalsen , die bestaat uit drie deelgebieden. De begraafplaats een omvang van ruim 1,5 ha en bezit twee ingangen. De laatste uitbreiding heeft een eigen ingang gekregen, terwijl tegenover de oude ingang parkeerplaatsen zijn aangelegd.
Aanleg in drie fases
De oorspronkelijke ‘oude’ begraafplaats ligt rechts van de ingang en werd tussen 1871 en 1873 ingericht. Dit sfeervolle deel kenmerkt zich door oude, deels vervallen graven, twee grote grafmonumenten, graftrommels, enkele monumentale bomen en grote taxussen. De graven liggen in rijen tussen een rondlopend pad.
In de jaren 1920 werd ten westen van de oude begraafplaats de eerste uitbreiding gerealiseerd. Het terrein bestaat uit graven langs diagonale paden. Tussen de graven zijn hagen geplant en verspreid staan diverse bomen.
Begin jaren 1970 vond de recentste uitbreiding plaats. De uitbreiding was functioneler dan de eerdere uitbreiding. Haaks en parallel langs een hoofdpad zijn diverse grafvelden gelegen. Grind bepaalt hier het aanzien.
Bronnen: bezoek begraafplaats 22-05-2025. Rapport Beleids- en beheerplan begraafplaatsen West Betuwe 2019 – 2023. Inventarisatie opvallende en historische grafbedekkingen 22 gemeentelijke begraafplaatsen, Gemeente West Betuwe 2024, Gemeente West Betuwe 2024.
Aan de rand van het Westdampark ligt de kleine Joodse begraafplaats van Woerden. Een menashoge muur omgeeft de begraafplaatd. De ingang is via het metaheerhuisje. De kleine Joodse gemeenschap in Woerden – Van de Aa meldt in zijn beschrijving van Nederland uit 1849 over Woerden: ‘De Joden, die men er ruim tachtig aantreft…’ – bezat geen eigen synagoge maar wel een soort dependance die ressorteerde onder de synagoge van Gouda. De overleden Joden uit Woerden werden in Gouda begraven.
Op 21 maart 1849 verzocht de Joodse gemeenschap de gemeenteraad om een eigen begraafplaats te mogen stichten’ Als reden werd opgegeven dat ‘er van tijd tot tijd Joodse gedetineerden In de strafgevangenis van Woerden kwamen te overlijden en dat ze voor graf-, begrafenis- en vervoerskosten 26 gulden moesten betalen, aangezien de begrafenis in Gouda moest plaatsvinden’. Tevens werd vermeld dat vanuit Gouda en later ook vanuit Alphen aan den Rijn bericht ontvangen was dat aldaar geen begravingen meer konden plaatsvinden.
Kleine Buitenwal
De bestuurders van de Joodse gemeenschap vroegen aan de gemeente Woerden een geschikt stuk grond van 10 à 12 roede voor de aanleg van de begraafplaats af te staan. De raad besloot op 11 april 1850 stuk grond op de Kleine Buitenwal af te staan onder voorwaarde dat de begraafplaats werd voorzien van een muur van twee meter hoog. Op verzoek werd de muur vervangen door een houten schutting en een heg een heg van iepen. Zes jaar later werd het besluit om onduidelijke redenen ingetrokken en een nieuw stuk grond aan de Kleine Buitenwal gelegen direct naast de vuilnisvaalt voor een Joodse begraafplaats ter beschikking gesteld,
In 1880 werd de begraafplaats uitgebreid en de oppervlakte vastgesteld op 22 bij 15 meter. Toen werd ook het metaheerhuisje gebouwd dat in 1927 werd aangepast tegelijk met het vervangen van de houten schutting door die huidige stenen muur. Boven de deur van het metaheerhuisje is de Hebreeuwse tekst uit Jesaja 26 vers 19A te lezen: ‘Herleven zullen uw doden – ook mijn lijk –opstaan zullen zij. Ontwaakt en jubelt, gij die woont in het stof.’
Op de begraafplaats staan 38 grafstenen. In 1920 vond hier, voor zover bekend, de laatste begrafenis plaats. Het beheer van de begraafplaats ging rond 1925 over naar de Nederlands Israëlitische gemeente van Gouda.
Bezoek begraafplaats 21 maart 2024 (excursie Terebinth) Flyer Joodse begraafplaats
Het is maar korte oversteek met de pont over de Lek van Culemborg. Dan over de Veerweg, de Lekdijk, onder het spoor en door de weilanden naar Schalkwijk. Net voor het dorp ligt aan de spoorlijn het terrein waar tot in de middeleeuwen de ridderhofstad Schalkwijk stond, de Tuin van Jhr. Ram bij. In deze gereconstrueerde 17de-eeuwse tuin speelden voedsel en geneeskrachtige planten een grote rol. De contouren van het verdwenen kasteel zijn goed zichtbaar. De grachten zijn opnieuw uitgegraven en de resten van de fundering zijn nog aanwezig n de bodem.
Jonkheer Adriaan Ram, de naamgever van de tuin Ⓐ, werd in 1599 geboren als telg van een adellijke katholieke Utrechtse familie. Hij kocht in 1633 de ridderhofstad Schalkwijk en verwierf 1647 de ambachtsheerlijkheid Schalkwijk. Hij bood de overwegend katholiek gebleven bevolking van Schalkwijk een schuilkerk in de toren van het kasteel. In 1651 werd Ram gevangen genomen. De toren werd afgebroken en zijn gezin verbannen uit ’t Sticht. Hij moest noodgedwongen zijn kasteel verkopen.
RK Michaëlkerk
Het langgerekte Schalkwijk ligt aan de in 1122 gegraven Schalkwijkse Wetering. Rond de kerk aan de Brink ontstond een kleine dorpskern. Nadat jonkheer Ram in 1651 werd verbannen, werden één (of meer) boerderijen opengesteld om katholieke diensten te houden. In 1696 werd een boerderij aangekocht waarin waarschijnlijk al gekerkt werd. Deze (schuil)kerk lag tussen het latere kerkhof en de Wetering en is de voorloper van de ernaast gebouwde Michaëlkerk. De schuilkerk werd in 1760 herbouwd, waarna in 1818 het kerkhof werd aangelegd. Aan de zijde van het kerkhof werd, ook in 1818, een toren tegen de gevel van de kerk aangebouwd. In 1834 werd het woongedeelte afgebroken en een nieuwe pastorie gebouwd, het huidige Lucashuis. In 1834 en 1837 werd de kerk aan beide zijden verlengd en in 1837 opgehoogd. (Lucashuis en schuilkerk in stippellijnen, linksonder op de “Plattegrond RK Kerkhof”), In 1876 gaf het aartsbisdom Utrecht de opdracht tot de bouw van een nieuwe kerk, een ontwerp van de bekende Utrechtse bouwmeester Alfred Tepe. Dankzij de rijkdom van de Schalkwijkse katholieke boeren verrees een kerk die plaats bood aan vijfhonderd menen en al gauw de bijnaam de ‘kathedraal van het Sticht’ kreeg. Het rijke interieur is van de hand van Friedrich Wilhelm Mengelberg.
Plattegrond RK Kerkhof. Bron: Blijf mij nabij…
Kerkhof
Aan de noordoostkant van de kerk lag al in 1818 een klein kerkhof ③ van 25 bij 20 meter. De doden waren in een enkele laag op rij begraven. Toen de kleine dodenakker vol raakte, werden zij boven elkaar ter aarde besteld. Toen het verbod op begraven in kerken per 1 januari 1829 van kracht werd, werd op het kerkhof een graftombe voor de familie De Wijkerslooth gebouwd. In hetzelfde jaar werd op 23 oktober de tombe in gebruik genomen met de bijzetting van Anna Catharina Maria van Wijkerslooth van Weerdesteyn, geboren Ram van Schalkwijk (1760-1828).
Grafkapel
In 1864 werd een grafkapel gebouwd voor de familie Van Wijkerslooth. De kapel diende ter nagedachtenis van de in 1851 overleden Mgr. Cornelis Ludovicus de Wijkerslooth (1756-1851), heer van Schalkwijk en Weerdesteyn. Hij was de eerste bisschop voor de ‘Hollandse Zending’, d.w.z. Nederland boven de grote rivieren en wegbereider voor het herstel van de katholieke hiërarchie. Na zijn overlijden werd hij in eerste instantie bijgezet in de oude graftombe en in 1864 samen met zijn moeder overgebracht naar de grafruimte onder de kapel. Anno 2025 rusten er achttien familieleden in de kelder. In 1849 en later in 1877, 1880, 1931, 1981 en 2013 werd het kerkhof uitgebreid. Het kerkhof heeft nog steeds het karakter van een dorpskerkhof.
Garafkapel familie Wijkerslooth
De grafkapel heeft de plattegrond van een Grieks kruis. Boven de dubbel toegangsdeuren bevinden zich in reliëf twee klimmende leeuwen die de wapens van de opdrachtgever en zijn vrouw dragen. Boven deze familiewapens is een natuurstenen gedenkplaat aangebracht met de inscriptie: Grafstede der familie Wijkerslooth van Weerdesteyn & Schalkwijk. De vloer van de kapel is bedekt met kleurige tegels. In de zuidoostelijke kruisarm staan twee levensgrote marmeren beelden: de H. Anna en de H. Cornelius. Onder het venster in de noordoostelijke kruisarm staat een zandstenen altaar met in goud geschilderd de Alfa en de Omega. In de buitengevel bevindt zich onder dit raam de ingang van de grafkapel.
Kerkhof Hervormde Kerk
Toegangspad Verloren kerkhof
Tussen de Provincialeweg en de spoorlijn ligt aan de Brink, het oude centrum van Schalkwijk, de Hervormde kerk ②. De huidige kerk bestaat uit een eenbeukig schip, een romaanse toren en een gotisch koor. De eerste kerk stond rond 1164 op deze plek, maar rond 1220 verscheen er een kerkje van tufsteen. Ook staat er dan al een toren. Rond 1500 wordt de kerk vergoot en in gotische stijl herbouwd. De toren wordt verhoogd met een verdieping en krijgt een gotische spits. In 1804 werd het koor verlaagd en het schip vervangen door het huidige. De kerk was oorspronkelijk gewijd aan St.-Michaël. Het praalgraf van Balthazar de Leeuw (1714-1754), ambachtsheer van Schalkwijk, neemt de westzijde van de kerk in beslag. Hij plaatste een leeuw in plaats van een haan als windvaan op de toren. Rond de kerk ligt een bescheiden kerkhof.
Het Verloren kerkhof
Schalkwijk kende tot 1951 nog een derde begraafplaats die bekend staat als het ‘Verloren kerkhof’ ①. Deze begraafplaats lag aan de Achterdijk in het buitengebied van Schalkwijk. In een scherpe bocht van de Achterdijk verwijst een bord naar een Vogelkijkhut en het ‘Verloren kerkhof’. Het terrein lag vermoedelijk in de berm van het pad en was niet meer dan ‘1 are en 18 centiare’ (1018 m²) groot. Bij de vogelkijkhut herinnert niets meer aan het kerkhofje.
De begraafplaats was bestemd voor het begraven van zwervers die in de gemeente Schalkwijk en Tull en ’t Waal overleden en drenkelingen die in de uiterwaarden van de Lek aanspoelden. Het waren personen zonder gegevens van herkomst en van wie men niet wist of ze lid waren van een kerkgenootschap. Omdat de gemeentes Schalkwijk en Tull en ’t Waal geen algemene begraafplaats hadden, werden deze overledenen begraven op het ‘neutrale’ kerkhofje nabij de Lek. Op 8 augustus 1945 vond daar de laatste begraving plaats. De begraafplaats werd gesloten op 12 februari 1951. Er werd toen een klein deel van het kerkhof van de Hervormde kerk in Schalkwijk afgescheiden als openbare begraafplaats. Deze overeenkomst werd in 1962 weer ontbonden, toen Schalkwijk, Tull en ’t Waal en Houten tot één gemeente, genaamd Houten, werden samengevoegd. Houten had wel een algemene begraafplaats.
Bronnen: P.M. Heijmink Liesert, Blijf mij nabij… Uitgever: RK Locatie Heilige Michaël Schalkwijk en Tull en ‘t Waal. Met dank aan Peter den Hartog voor zijn bijdrage over de geschiedenis van de schuilkerken in Schalkwijk. Bezoek aan Schalkwijk.